Klein geluk

  • Goedemorgen, Bart. Stoor ik?
  • Wat is er, Vuye? Ik zit Brinckman over Stadslab Antwerpen te lezen.
  • We hebben eens nagedacht met de parlementsfractie, en het leek ons misschien een leuk idee om niet te klappen als het straks in het halfrond over de voetbaloverwinning van de Rode Duivels gaat. Ik heb gehoord dat Laurette om een applaus gaat vragen tijdens het debat over de regeerverklaring.
  • Waarom zouden jullie dat niet doen?
  • Wel, het is de nationale ploeg van België. Wij zijn voor een onafhankelijk Vlaanderen. Door niet mee te doen geven we het signaal dat we tegen België en alle Belgische symbolen zijn. Daarmee halen we zeker de kranten.
  • De kranten haal je daar ongetwijfeld mee. Maar is dat niet wat onnozel? We hebben trouwens afgesproken om het vijf jaar lang niet over communautaire thema’s te hebben. Ik wil niet te veel miserie..
  • Weet ik, weet ik, Bart. Maar Liesbeth mocht toch dwarsliggen bij de benoeming van die burgemeester in Linkebeek? Ik dacht dat wij dan misschien ook eens iets mochten doen rond de Rode Duivels.
  • Ik vind het onnozel, Vuye. Wat zegt Siegfried ervan?
  • Die wil weer niet meedoen. Hij zegt dat het niet bij zijn functie als Kamervoorzitter past. Maar politiek stelt het niets voor, Bart. Het gaat geen gevolgen hebben binnen de regering en toch kunnen we nog eens duidelijk maken dat wij geen Belgen maar Vlamingen zijn. Ik zou dat graag nog eens doen.
  • Allez, ’t is goed. Voor die ene keer dan. Hou u tijdens het debat voor de rest wat in, ok?
  • Geen probleem, Bart. Vooruit Michel!

Beste meneer Lanoye,

ik schrijf u met hoogdringendheid. Ik had dit dan ook al veel eerder moeten doen maar mag ik u met aandrang vragen om uw column in Humo stop te zetten? Hoe sneller, hoe liever.

Ik hoopte nog dat het blad u in de zomer vrijaf zou geven. Helaas: ook in deze julimaand gaat u door met het afleveren van een wekelijks bijdrage. Uw column van vandaag, over ‘Black Venus’ van Jef Geeraerts, is zelfs de beste tot nu toe. Maar ik krabbel niet terug. Hou er alstublieft mee op.

Sinds mei schrijft u in Humo ‘Revue Lanoye’. Een column is dat van niet minder dan drie bladzijden, en waarmee u Bert Bultinck, die voor het weekblad van De Standaard toch ook elke keer duizend woorden bij elkaar moet zien te puzzelen, het nakijken geeft. U noemt het zelf – heel slim van u en helemaal mee gaand met de tijd – ‘longread-columns’ maar zo werkt het uiteraard niet. Ze zijn te lang, natuurlijk. Veel te lang. Zoals bij De Standaard niemand de adjunct-hoofdredacteur tot de orde durft te roepen (de opiniërende hoofdredacteur trouwens ook niet, en zelfs de oud-hoofdredacteur mag daar op de opiniepagina’s van de weekendkrant, overigens net als de oud-hoofdredacteur van een andere krant, doen wat hij niet laten kan – soit), is er bij Humo klaarblijkelijk niemand die u zelfs niet na twee volle pagina’s een strobreedte in de weg wil leggen.

We kunnen misschien maar beter eerst even alle vormelijkheden afhandelen. Al uw columns eindigen met enkele alinea’s die met de tussenkop ‘Besluit’ worden aangekondigd. Het staat er elke week: BESLUIT. Alsof uw lezers anders verloren lopen in uw gedachtewereld en een helpende hand nodig hebben. Schrappen, dus. Onbegrijpelijk.

Voor uw column over ‘Black Venus’ dacht ik een consistente lijn te ontwaren in uw onderwerpkeuzes. Het is die lijn die mij de meeste zorgen baart. Ik weet niet waar u het idee vandaan hebt gehaald (en vooral de energie vandaan blijft halen), maar u lijkt eraan te zijn begonnen de catechismus van de linkse kerk in Vlaanderen op te stellen.

Te beginnen – uiteraard – met een afrekening met Bart De Wever. De aanleiding van uw eerste column was ietwat gekunsteld, de uitkomst ongewis, maar duidelijk was dat die De Wever er voor uw part niet meer bij hoeft te zijn na de volgende verkiezingen. Is Bart De Wever slecht? Bart De Wever is slecht. De week daarna volgde een enigszins verrassende aanval op Sven Gatz. Niet omdat zijn beeltenis dient verwerkt te worden in een glasraam van uw kerkgebouw, maar omdat u er zo laat mee kwam. Vorig najaar is iedereen reeds over Gatz heen getrokken. Waarom moet u daar zo nodig in juni achteraan hobbelen? Dienen uw columns niet meer actueel te zijn?

Nadat u – weer een week later – Bruno Tobback had helpen buiten dragen bij sp.a en John Crombez hoopvol en met enthousiasme mee in het zadel had gehesen, begon ik te vrezen dat u wel heel snel door uw onderwerpen heen zou raken. U lijkt de bui ook zelf al te zien hangen. Een onbeduidend citaatje van Bart De Wever uit De Zevende Dag was onlangs genoeg om wederom drie pagina’s tegen hem en zijn partij tekeer te gaan.

Gelukkig heeft de linkse kerk ook buitenlandse missieposten. U pleegde een boze column over Griekenland, waarin u citaten van mensen als ‘een Nobelprijswinnaar Economie, de Amerikaan Joseph Stiglitz’ aan elkaar breide – enkel een paper van ‘het IMF, toch geen linkse club’ ontbrak in de bibliografie. En u schreef ook al een column tegen Engeland en zijn afkeer van Europa en ter verdediging van Barack Obama. De eindbalans van zijn presidentschap – u loopt vooruit – is ondanks enkele bedenkingen toch positief. Verrassend, zeg. Wat staat er nog meer op het program? De opwarming van de aarde lijkt me niet echt iets voor u. De toenemende ongelijkheid en haar kwalijke gevolgen – het IMF, toch geen linkse club, heeft daar enkele interessante papers over gepubliceerd – kan u misschien wel als volgende thema te boek stellen.

De vraag of u daar zelf eventueel ook iets interessants over te zeggen hebt, is, geloof ik, bijzaak.

Weet u wat het is, meneer Lanoye? Ik heb van geen enkele auteur zoveel boeken in de kast staan als van u. U kan een hele plank claimen. Onlangs las ik pas voor het eerst uw bundels ‘Het circus van de slechte smaak’ en ‘Rozegeur en maneschijn’. Ik moest erg lachen met uw polemieken over Jan Fabre en Hugo Claus, en uw verslag over het etteren van de Standaard der Letteren – ‘Onthulling! Het afgelopen jaar heb ik, in het geheim, elke week de Standaard der Letteren gelezen.’ Ik nam me zelfs voor dat een keer over te doen maar ik bleek niet over zoveel doorzettingsvermogen te beschikken als u in 1982. Van u valt er vandaag helemaal niets meer te verwachten. U bent druk met het vieren van uzelf en het uitdelen van complimenten. Joost Vandecasteele? ‘De spannendste stem van zijn generatie’! Griet Op de Beeck? ‘Een hartverwarmende, niet te missen nieuwe stem uit België’!

U begrijpt dat niemand u zo nog ernstig kan nemen.

En politiek komt u dus niet meer verder dan het geneuzel dat we van DeWereldMorgen gewoon zijn. Ik vrees dat u bent overvallen door oprechte woede. Dat zit wel vaker een origineel denkvermogen, en al helemaal een literair taalgevoel in de weg – of vindt u die columns die u wekelijks aflevert zelf geestig? Ze zijn belegen, meneer Lanoye. Waar woede u in 2013 hielp om in een kerstessay Jonathan Jacob van de vergetelheid te redden, zet het u nu enkel nog maar aan tot het met een van verbolgenheid stijgende intonatie napraten van wat tientallen andere prekers u al voorzegden.

Neem een voorbeeld aan Joël De Ceulaer. Hij is net op tijd kunnen stoppen met zijn column op de laatste pagina van Knack. Als hij maar enkele weken langer was doorgegaan, was er allicht iemand opgestaan om de politieke column dood te verklaren. Nu heeft hij Harold Polis nog zo ver gekregen om een verzameling van zijn columns – ik vrees zelfs dat het niet eens een selectie is – dit najaar uit te geven. Dat zit er ook voor u nog in. Als De Standaard de tekstbrochure van ‘Revue Ravage’ zelfs meegeeft aan al haar lezers, zal uw uitgeverij deze reeks ongetwijfeld ook willen verspreiden. Mai Spijkers kan zich sinds ‘Vijftig tinten grijs’ wel wat veroorloven. Of misschien wil hij uw bundel wel financieren met de winst die hij met Griet Op de Beeck maakt. U hebt er tenslotte uw steentje aan bijgedragen.

Doe het snel, meneer Lanoye. Stop ermee. U gaat mij dankbaar zijn.

Vriendelijke groeten,

Peter Casteels.

Luc Huyse voorbij

Het kan verkeren. Tien jaar geleden was Jed Bartlet, de Amerikaanse president uit de televisieserie The West Wing, een populair personage. Kenmerkend voor hem waren: vaderlandsliefde, een onfeilbaar rechtvaardigheidsgevoel en af en toe een sentimentele uitval. Vandaag is de goede man vergeten en vervangen door de meedogenloze Frank Underwood. Het personage dat wordt gespeeld door Kevin Spacey weet zichzelf aan het einde van de tweede reeks van de tv-serie House of Cards ook tot president te kronen. Alleen is hij cynisch, onbetrouwbaar en in niets anders dan in macht geïnteresseerd.

Hoe komt dat? Commentatoren die graag beweren dat televisie de spiegel is van onze tijd, hebben daar vast een interessante uitleg voor, maar sinds we in katzwijm zijn gevallen voor Underwood, is het een raadsel hoe we ons ooit in de charmante goeiigheid van Bartlet konden verliezen. Het is cynisme of op zijn minst scepticisme dat de politiek al veel langer ten deel valt. Ook in deze contreien. ‘De dramademocratie’, waarin Mark Elchardus een verontrustend beeld schetst van het politieke bedrijf, verscheen al in 2002. David Van Reybrouck werd als een held ontvangen nadat hij de democratie in een diepe en uitzichtloze crisis had verklaard, en Bas Heijne wist in Nederland een van de invloedrijkste stemmen te worden door aanhoudend de politieke elite aan te vallen.

Aan die stapel literatuur zijn in Vlaanderen onlangs twee boeken toegevoegd. Zo publiceerde de socioloog Luc Huyse ‘De democratie voorbij’. Het is niet alleen het laatste deel van wat met ‘De verzuiling voorbij’ (1987) en ‘De politiek voorbij’ (1994) voor een trilogie kan doorgaan, Huyse kondigde ook aan dat dit zijn laatste boek is. Het is het slotakkoord van zijn oeuvre, en de titel doet vermoeden dat hij dat met de gepaste dramatiek wilde opvoeren.

‘De democratie voorbij’ is één langgerekte alarmkreet. De representatieve democratie is in verval. Ze is vandaag niet in staat adequate beslissingen te nemen, noch kan ze het volk dat ze pretendeert te vertegenwoordigen ook daadwerkelijk dat gevoel geven. Huyse maakt eerst een “diagnose” om vervolgens op zoek te gaan naar de juiste “medicatie”. Die diagnose is een potpourri van trends, fenomenen en andere noodlottigheden die onze samenleving teisteren. De individualisering, de technologische ontwikkelingen, de vermarkting, het wantrouwen… Noem het allemaal maar op. Het is bizar dat Huyse dacht zoveel verschillende onderwerpen helder te kunnen behandelen in iets meer dan honderd pagina’s. Wat daarbij niet helpt, is dat hij veel te veel opsommingen maakt, zich verschuilt achter andere auteurs en al te vaak in herhaling valt. Het enige wat blijft hangen, is dat we ons in woelig water begeven waarin de ene golf na de andere ons overspoelt.

Wie het eens is met Huyse, beleeft aan ‘De democratie voorbij’ een groots plezier. Gedeelde smart is halve smart. Maar wie de crisis van de democratie voor het openslaan van het boek niet helder voor ogen heeft, ziet tijdens het lezen zelfs niet de contouren ervan verschijnen, maar alleen een dikke rookpluim. Huyse maakt zich er al te vaak vanaf met anekdotische voorbeelden (die in zijn ogen weliswaar symbool staan voor veel meer) en verwijzingen naar auteurs die hetzelfde denken als hij. Van een iets of wat wetenschappelijke analyse is geen sprake.

Als Huyse op zoek gaat naar medicatie, in het tweede deel, wordt duidelijker waar hij mee zit. De slothoofdstukken, ‘Herbewapen de democratie. Versterk de staat en tem de markten’ en ‘Verrijk de democratie. Mobiliseer de bevolking’, schetsen ook de paradox van onze democratie. Enerzijds bevindt veel macht zich boven de hoofden van politici. Multinationals opereren op een niveau waar voorlopig geen politieke macht aanwezig is. In dezelfde periode waarin deze mondiale economie groeide, is er anderzijds een mondige burger opgestaan die niet alleen een stem wil uitbrengen maar graag ook een woordje meepraat. Dat is het verhaal dat David Van Reybrouck houdt. Daar valt heel wat over te zeggen, maar elke democratische hervorming of, zo de heren willen, innovatie die daaraan tegemoetkomt, maakt politiek minder efficiënt en trager. En dat maakt het dan weer lastiger om de commerciële machtsblokken, waar Huyse zich evenveel zorgen om maakt, open te breken. Die paradox verdiende (veel) meer aandacht.

Waar Luc Huyse wild om zich heen slaat, voert de politicoloog Wilfried Dewachter in ‘De trukendoos van de Belgische particratie’ een welgemikte aanval uit op het politieke systeem. Of een meer adequaat beeld is misschien dat Dewachter – beter onderbouwd dan Huyse, maar vluchtiger door de vele verwijzingen naar de actualiteit – met alles wat los en vast zit gooit naar de hoofden van de partijvoorzitters. Zij houden de democratie gegijzeld. Alleen de N-VA en haar voorzitter Bart De Wever worden soms bemoedigend toegesproken.

Met zijn ergernissen staat Wilfried Dewachter niet alleen. De almacht van de politieke partijen in België is velen een doorn in het oog. Niet alleen de royale partijfinanciering is opzienbarend, maar vooral het systeem van opvolgers (waarbij het voetvolk van de verkozen ministers ongemerkt in het parlement raakt) en de ingevoerde kiesdrempel (waarmee het voor nieuwe partijen haast onmogelijk wordt om in het parlement te komen) zijn geen feestartikelen van de democratie. Wilfried Dewachter citeert verder onderzoek waaruit blijkt dat tussen 1919 en 1991 slechts 0,44 procent van de politici verkozen is buiten de lijstvorming om. Slechts een handvol kandidaten wist zoveel voorkeurstemmen te behalen dat ze over hun concurrenten heen konden springen die door de partij boven hen op de lijst werden geplaatst. De overgrote meerderheid kwam dus in het parlement omdat zij een comfortabele plek aangeboden kregen. U kunt zich het enthousiasme voorstellen waarmee zij bij een onenigheid tegen de partijlijn ingaan.

“De particratie schakelt finaal de democratie uit”, schrijft Wilfried Dewachter in de inleiding. Dat is nog maar het begin. Voorts worden verkiezingen “verkracht”, de democratie “afgetuigd” en het parlement “gevierendeeld”. Ergerlijker is echter de vrijheid die Dewachter zichzelf gunt om de partijvoorzitters van werkelijk alle mogelijke kanten te belagen. Ook hij vindt de kiesdrempel een gotspe, maar pleit tevens voor een meerderheidsstelsel naar Engels model. Dewachter maakte zelf een berekening van hoeveel zetels de Vlaamse partijen na de verkiezingen van 25 mei 2014 in zo’n systeem zouden hebben behaald: de christendemocraten van CD&V twee, de liberalen van Open Vld vier en de Vlaams-nationalisten van N-VA eenentachtig. De andere partijen zouden verdwijnen in Vlaanderen. Ook zijn voorstel om rechtstreekse presidentsverkiezingen te houden naar Frans model, zou de Belgische particratie overhoop gooien, maar de macht van partijen niet per se verzwakken. Het verhaal is genuanceerder dan Dewachter graag doet uitschijnen. Veel eindbeslissingen worden inderdaad genomen door de voorzitters van de meerderheidspartijen. Alleen zijn ze op zichzelf zo kwetsbaar dat ze wel gedwongen worden rekening te houden met meer dan hun eigen willetje.

De analyses van Luc Huyse en Wilfried Dewachter verschillen hevig: de ene keert zich in de eerste plaats tegen de neoliberale aanval op de staat, de andere verwerpt ook de Belgische federatie en haar communautaire grendels. Het gevolg is dat de crisis van de democratie niet veel meer voorstelt dan een metafoor om een politiek standpunt kracht bij te zetten. “‘Crisis’ is het geliefkoosde woord waarmee we over democratie praten”, schrijft Huyse dan ook. Er kan niet over de staat van de democratie worden gediscussieerd zonder dat daarbij het einde van deze bestuursvorm in het vooruitzicht wordt gesteld of zelfs afgekondigd. Net zoals het bekende citaat van Winston Churchill dat daarna vaak verzuchtend wordt uitgeroepen – democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried – is het een cliché geworden. Dat is een pijnlijke constatering. Wanneer de democratie werkelijk in acuut gevaar komt, zullen we geen geloof meer hechten aan de waarschuwingen.

WILFRIED DEWACHTER, De trukendoos van de Belgische particratie. Een Europese schande, Pelckmans, Kalmthout, 2014, 160 p.

LUC HUYSE, De democratie voorbij, Van Halewyck, Leuven, 2014, 140 p.

Dit artikel verscheen eerder in Ons Erfdeel. 

Het basisinkomen: genoeg is genoeg

Is het gratis-verhaal van Steve Stevaert echt ten einde? Er zijn nog maar weinig politici te vinden die het en plein public willen verdedigen. Maar zoals het wel meer gaat met politieke ideeën, waarvan er toch maar een handvol zijn die elkaar op de opiniepagina’s afwisselen, is het een kwestie van een naamswijziging. Dankzij het basisinkomen is het geesteskind van Stevaert al een hele tijd aan een remonte bezig. Bizar is dat tijdens deze magere jaren.

Het basisinkomen – ik leg het nog maar even uit – is een vast bedrag dat elke burger van een land maandelijks zonder tegenprestaties op zijn rekening gestort krijgt. Gratis, als het ware. Dat moet mensen de vrijheid geven om hun leven in te delen zoals zij dat willen. Ze hoeven zichzelf en hun vrije geest niet langer te laten fnuiken door alle verplichtingen die bij de arbeidsmarkt horen. Iedereen kan gaan tuinieren, soep koken of kleurplaten voor volwassenen maken zoveel hij maar wil.

Rutger Bregman heeft zich opgeworpen als een energieke pleitbezorger van het idee, maar daarvoor – Robert en Edward Skidelsky, bijvoorbeeld, in ‘Hoeveel is genoeg?’ – zoemde het al veel langer rond. De filosoof Philippe Van Parijs en de ondernemer Roland Duchâtelet zijn er al decennialang door bezeten. En de partij van Steve Stevaert is sinds zij in de oppositie is beland ook gek op het idee. Zowel John Crombez als Bruno Tobback hinten er naar in hun intentieverklaring. Maar Open Vld organiseerde er vorige week evengoed een debat over, en wie Kristof Calvo (Groen) een enthousiast citaat over het basisinkomen in de mond legt zonder het hem eerst te vragen, zal daar vast geen opmerkingen over krijgen.

Daarmee neemt het publieke debat een onverwachte wending. Sinds enkele jaren houden wij ons allen ledig met het lezen, schrijven of toch op zijn minst rond twitteren van alarmerende epistels over de stijgende ongelijkheid. Het populairste zijn cijfergegevens over wat de rijkste één procent bezit, maar het ongelijkheiddebat werd ondertussen een rijke discussie over de rol van iemands achtergrond, talenten, genen en zelfs geluk. Bregman schreef daar onlangs samen met Jesse Frederik ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’ over. Dat debat over ongelijkheid definieert, naar het schijnt, onze tijd. Een overheid die elke burger hetzelfde bedrag geeft, zegt eigenlijk zoveel als dat ze zich daar liever niet in wil mengen.

JOBKORTING

Op een servet bij de Paasbrunch zijn er twee varianten van het basisinkomen uit te tekenen. Oftewel is het bedrag dat de overheid uitdeelt te laag om van te leven. Dan is het niet veel meer dan een jobkorting of lastenverlaging voor mensen die werk hebben. Iedereen die van een uitkering moet rondkomen, ziet zijn inkomen hoogstwaarschijnlijk amper toenemen. Als een basisinkomen bij uitkeringen wordt opgeteld en ervoor zorgt dat het totaalbedrag wel degelijk levensvatbaar wordt, is het voor iedereen die een baan heeft een kwestie van daar zo snel als mogelijk vanaf zien te geraken. Met deze versie kan ook het geldverslindende en autoritaire monster dat de sociale zekerheid in pleidooien voor een basisinkomen moet voorstellen, niet worden verjaagd.

Maar de meeste voorstanders hopen natuurlijk dat de overheid haar burgers met een maandelijkse cheque van pakweg 1500 euro helemaal bevrijdt. Ik heb er moeite mee om me dat voor te stellen. In België leven honderdduizenden mensen in armoede. Een hele sector in de sociale wetenschappen doet daar onderzoek naar terwijl de reden doodeenvoudig is. Mensen in België zijn arm omdat ze van een uitkering moeten leven die onder de armoedegrens ligt. Wij zijn niet in staat om mensen daarbovenop te helpen, en in sommige gevallen willen we dat ook niet. Werkloosheidsuitkeringen worden al jarenlang uitgehold omdat het mensen aanzet werk te zoeken.

UTOPIE

Er is geen enkele politicus te vinden die in wil beuken op die consensus. Waarom een basisinkomen – wat precies dát doet – wel zo populair is, is omdat ook de middenklasse ervan geniet. Het gaat niet enkel om armoedebestrijding. Het gaat er in de eerste plaats om het drukke en stresserende leven van tweeverdieners te verlichten. Steve Stevaert maakte de bussen ook niet enkel voor de zwakken, de zieken en de misselijken gratis. Iedereen mocht meerijden zonder te betalen. Het is de meest aantrekkelijke maar ook de minst efficiënte vorm van herverdeling. Tijdens de Paarse jaren was daar geld voor. Vandaag zijn er enkele begrotingstekorten die moeten worden gedicht.

Maar wat maakt dat allemaal, Peter? En je gaat nu toch ook niet beginnen zeuren over de financiering van het basisinkomen? ’t Is een utopie!

Net zoals de activisten tegen het BAM-tracé tegenwoordig liever wegdromen bij de overkapping van de Antwerpse ring dan zich te verliezen in dat ingewikkelde dossier waarmee al lang geen overwinning meer te halen valt, hunkeren mensen liever naar een simpel basisinkomen dan zich te verdiepen in de werking van onze sociale zekerheid. Goed kan dat systeem sowieso niet meer werken want het dateert van de vorige eeuw. Einde argument.

Het basisinkomen is een raar en absurd idee. Utopisten zien daarin hun gelijk enkel bewezen, maar wat de opstoot van aandacht vooral bewijst, is dat het publieke debat dezelfde wetten als de amusementssector volgt. Iedereen die de strijd tussen de rechtse regering en de linkse oppositie, begrijpelijkerwijs, even beu is, heeft een speeltje gevonden ter afleiding. En het zijn lange jaren aan de zijlijn. Maar wat zou het plezierig zijn als men zich daar bezig hield met ideeën waar een partij na een verkiezingsoverwinning ook wat mee kan aanvangen.

Modern Times in [1000 woorden]: Overdrijft Jenny Offill niet?

We hebben weer een roman gelezen. Niet zomaar een roman deze keer. ‘Dept. Of Speculation’, onlangs vertaald als ‘Verbroken beloftes’, werd door The New York Times gerekend tot de vijf beste fictieboeken van 2014. Wij doen elk jaar een tot mislukken gedoemde poging om de lijst af te werken. ‘Gezinsleven’ van Akhil Sharma was in december al aan de beurt. Daar herinneren we ons niets meer van. Maar we blijven altijd benieuwd. En Jenny Offill, de schrijfster, ziet er op de foto op de boekenwikkel alvast niet uit alsof ze haar vermelding te danken heeft aan een affaire met een redacteur van de krant – wie meent er ook alweer te weten dat wij J. De Witte niet zijn? [118 woorden]

‘Verbroken beloftes’ is zo’n boek waarvan het hoofdpersonage zo ongegeneerd lijkt op de auteur dat Offill geen recht van klagen heeft als wij schrijfster en personage over elkaar heen leggen. In korte fragmenten en alinea’s maakt ze een balans op van haar leven. Dit is meteen het moment waarop de titel een rol van betekenis speelt. Dat leven is niet wat Offill ervan verwacht heeft, laat staan waarvan ze vroeger droomde. Ze dacht ooit aan het begin te staan van een succesvolle schrijverscarrière als ‘kunstmonster’, waarbij ze zich enkel en alleen met artistieke aangelegenheden bezig zou houden, maar heeft nu af te rekenen met een echtgenoot, een dochter en een klas studenten die ze creatief schrijven moet bijbrengen. Ze volgt yoga, draagt ook op andere momenten yogabroeken, en gaat naar een psycholoog die ze zelf ‘psych’ noemt. Een einde is er niet echt. U herkent het vast. Wie leidt er, behalve Bart De Wever misschien, wel het leven waarvan hij ooit heeft gedroomd? [281 woorden]

En daar zit het ‘m meteen in. De herkenbaarheid is wat het boek voor de meeste lezers (en blijkbaar ook de recensenten van The New York Times) zo aantrekkelijk maakt – verder gaat het verhaal nergens over. Er zit enkel genoeg humor in om het niet al te confronterend te maken. We citeren een alinea: “Je kunt nergens huilen in deze stad. Maar op een dag heeft de echtgenote een idee. Op een kilometer van hun appartement ligt een begraafplaats. Misschien kun je daar wel huilend ronddwalen zonder anderen af te schrikken. Misschien kun je er zelfs met je armen maaien.” U moet zelf maar zien of dit miniatuurtje u aan een sentimentele biecht van Griet Op de Beeck of aan de afstandelijke ironie van Arnon Grunberg doet denken. Jenny Offill brengt ze heel dicht bij elkaar. [417 woorden]

Dat ironische exhibitionisme is een belangrijk deel van onze cultuur. De meeste comedians hebben niet de gave om een groot verhaal te vertellen, maar maken zich er vanaf met kleine anekdoten die zo pijnlijk zijn dat ze geestig worden. Simon Amstell, die u misschien kent als één van de vorige presentatoren van ‘Never Mind the Buzzcocks’, maakte voor BBC 2 een sitcom over wat zijn eigen leven moest voorstellen. De treurige verveling die ervan afdroop, was de grap waarop ‘Grandma’s House’ twee seizoenen draaide. De pointes in reeksen als ‘The Office’ of ‘Het Eiland’ zijn zelfs geen grappen meer: het zijn gênante situaties waarmee we hebben leren lachen. Op Twitter zijn tweets waarin mensen zichzelf portretteren als losers een heel populair subgenre. [539 woorden]

In het geval van ‘Verbroken beloftes’, waar de nadruk in de eerste plaats toch op de besognes van het hoofdpersonage ligt, levert dat een oervervelend boek op. Alsof wij zitten te wachten op nog iemand in onze boekenkast die problemen heeft met haar echtgenoot en twijfelt of die dochter van haar wel zo’n goed idee was. Wij weten niet meer wie we het ergste vinden: schrijvers die niet verder raken dan over hun eigen armzalige bestaan te rapporteren, of mensen die aldoor oproepen tot meer engagement in de literatuur. [628 woorden]

Nee, doe ons dan maar Claire Underwood. De First lady uit ‘House of Cards’ is in vergelijking met het hoofdpersonage van Offill een superheld zoals ze nog maar enkel in onnozele Hollywoodfilms worden opgevoerd. Maar wij kijken liever naar een vrouw die iets van haar leven maakt, en zelfs de Amerikaanse president tot de orde roept, dan lezen over een slons die ons eraan herinnert dat we het zelf helemaal zo slecht nog niet doen. Als we, overigens, toch in zo’n bui zouden zijn, verkiezen we Lena Dunham boven Jenny Offill. [719 woorden]

Door Jenny en Claire tegenover elkaar te zetten, dreigen we misschien het debat te openen, of eerder over te nemen van iemand anders die het op dit eigenste moment ongetwijfeld ergens op een universiteitscampus of tijdens een panelgesprek op het podium van een volgepakte schouwburg is aan het voeren, over wat literatuur en kunst moet zijn. Dat willen we nu ook weer niet. Alleen al het idee dat mensen zich in één heldere zin, of zelfs maar in één essay, willen uitspreken over wat al die oneindige stapels romans en verhalen moeten voorstellen, vervult ons met plaatsvervangende schaamte. Uiteindelijk heeft alles toch met talent te maken. Een intelligente schrijver met talent kan van elk onderwerp wereldliteratuur maken. Zelfs van zijn eigen kleinburgerlijke ellende. Ondanks de lofbetuigingen van een kunstmonster als James Wood zien wij met de beste wil van de wereld niet wat er zo bijzonder getalenteerd is aan de manier waarop Jenny Offill verslag uitbrengt. [875 woorden]

Nu is het futloze hoofdpersonage uit ‘Verbroken beloftes’ toevallig wel een vrouw. En dan moeten wij toch altijd even opletten. Wij herinneren ons zo ‘La Voix Humaine’, een monoloog over vrouwendingen die enkele jaren geleden door Ivo Van Hove werd geregisseerd en door Halina Reijn gespeeld. Een hele avond zaten wij ons te ergeren aan die labiele vrouw – totaal ongeloofwaardig -, en sindsdien zijn we ervan overtuigd dat er iemand dringend een essay moet schrijven over de manier waarop Van Hove vrouwen ensceneert. Alleen liet ons een vriendin achteraf weten dat zij de hele avond, en wel samen met al haar vriendinnen, had zitten huilen omdat ze het allemaal zo ontroerend vonden. Geen idee, bedenken wij ons nu pas, of ze niet een tikkeltje overdreef. [1000 woorden]

Zondag is Jenny Offill te zien op het festival van Passa Porta.

Internet – wie, internet – wat?

In 2014 ging het even over literaire uitgeverijen. De Bezige Bij Antwerpen, wat we allemaal toch als het meest chique fonds van Vlaanderen beschouwden, werd – onbegrijpelijk natuurlijk – door geldbeluste Nederlanders opgedoekt. Vervolgens reden we ex-uitgever Harold Polis, al dan niet in ziekteverlof, op een praalwagen door onze straten: gezellig was dat. Wat zullen we in 2015 eens doen?

Tussen kerst en nieuw las ik weer een bundel van Gerrit Komrij. In ‘Drift’, samengesteld door Bas Heijne, is o.a. ‘Europa – wie, Europa – wat?’ opgenomen. Komrij legt in de tekst uit waarom hij niet zal stemmen tijdens de Europese verkiezingen in 1994. “Stem niet op Europa als Europa u lief is”, is het slotakkoord. De Europese Unie dient enkel om ambtenaren en luie politici aan een baan te helpen. En de macht die ze tussendoor hebben gegrepen gebruiken ze om de Europese cultuur te vernietigen. Ik vat het maar even samen.

Het is een opmerkelijk en verrassend pamflet. Eurosceptici, waarop toch steeds de verdenking rust dat het egoïstische provincialen zijn, zou Gerrit Komrij heel wat stijl en taalgevoel kunnen bijbrengen. Eurofielen, die vaak de indruk geven zich niet enkel graag te laten voorstaan op hun humanistische idealen maar ook op hun liefde voor grote kunstenaars zoals Komrij, zou hij misschien uit hun schoonheidsslaap kunnen wekken. Dan denkt deze digital native: delen op Twitter en Facebook.

Alleen: dat gaat niet. Ik kan enkel iedereen van harte aanbevelen zich de bundel aan te schaffen. ‘Drift’ – ik herhaal het nog maar eens. Er staat veel meer in.

Met iets of wat verbeeldingsvermogen lijkt 2014 het jaar waarin de krantensites volwassen werden. De Standaard laat haar abonnees alle artikels uit de krant delen, en De Morgen publiceert op de site soms zelfs eerder dan in de krant. Behalve dat dS Avond nog steeds bestaat hebben er zich dit jaar geen wonderen voorgedaan maar iedereen is er ten minste van overtuigd geraakt dat de toekomst zich op internet afspeelt.

Wat een immens verschil met de uitgeverswereld. Kranten maakten in het begin de fout alles weg te geven op internet: uitgevers delen – net zo dom – helemaal niets uit. U moet eens naar de site van een uitgeverij surfen. Literatuur is daar niet te vinden: enkel reclamepraatjes.

Oh, de geur van papier!

Uitgeverijen zijn aan het begin van 2015 pas zo ver dat ze hun boeken in een pdf-formaat of een andere digitale vorm aanbieden. Het lettertype kan ietsjes groter en u houdt geen fysieke ongemakken meer over aan het lezen van de Russische literatuur. Dat is het zo ongeveer wel. Verder is het meest innovatieve dat in de boekensector de voorbije jaren is bedacht een boekentrailer waarin u niet enkel in tekst maar ook in beeld en geluid wordt aangepraat een titel te kopen.

Als er iets te horen valt, is het iemand die van buiten met een stormram op de eikenhouten deuren inbeukt. Amazon maakte zich dit jaar populair bij schrijvers noch uitgeverijen en heeft nu weer een nieuwe horde auteurs de kast opgejaagd door Kindle Unlimited te introduceren. Net als bij Netflix kunnen intekenaars voor een vast bedrag zoveel boeken lezen als ze willen. Auteurs krijgen ongeveer een euro wanneer één van hun titels wordt uitgeleend.

Het resultaat is gezeur onder schrijvers maar Unlimited kan een alleraardigst verkoopmodel zijn voor WPG – het concern waaronder De Bezige Bij en nog wel meer uitgeverijen huizen. Een heel stuk van de catalogus van de Nederlandstalige literatuur kan worden omsloten. Mensen die zoals ik boeken hamsteren alsof ze tijdens een oorlog eetbaar worden halen daar hun neus voor op (waarna toch een abonnement te nemen), voor bibliotheekgangers – ik denk automatisch aan lieve vrouwen van middelbare leeftijd – is het een veel handige dienst waar ze misschien voor willen betalen. Het kan ook boeken die niet meer verkrijgbaar zijn weer aanbieden. De meeste romans van Gerard Reve zijn enkel in de afschuwelijke banden van zijn verzameld werk te krijgen.

Oh, het genot in een boekenwinkel rond te struinen!

Een maandabonnement voor Kindle Unlimited kost met 9,99 euro één cent minder dan ‘Drift’ van Komrij. Echt de beste manier om een tekst te delen is het toch niet. Ik kan de acht pagina’s fotograferen met mijn smartphone maar dat is even veel gedoe. Hoe dan wel? Wie graag kranten en tijdschriften digitaal leest, kent sinds vorig jaar het antwoord op deze vraag. Een Blendle voor boeken, waar losse hoofdstukken kunnen worden gekocht en gedeeld, zou erg van pas komen.

Ik weet dat het onnozel is om een roman op te knippen.

Alleen is het boekenvak veel breder dan enkel grote verhalen. Alle verzamelbundels, en ook veel non-fictie, is eenvoudig uit elkaar te halen. De verzamelde essays van Bernard Dewulf over kunst, ‘Toewijdingen’, tellen meer dan vijfhonderd pagina’s. Waarom moet ik (34,99 euro!) betalen voor zo’n pak papier (of digitaal 27,99 euro!) als ik enkel geïnteresseerd ben in wat hij over Luc Tuymans te vertellen heeft? Ook kortverhalen en poëzie, wanneer het meer voorstelt dan slordige vingeroefeningen van jongens die enkel staan te popelen om te debuteren met een roman of novelle, kunnen ongebundeld een groter publiek bereiken dan opgesloten in een dure kaft.

Als het al pijnlijk was voor de muziekindustrie en krantensector dat buitenstaanders als Apple en Blendle hun producten digitaliseerden, is het misschien dodelijk voor uitgeverijen wanneer bedrijven als Amazon of Google hun werk overnemen. Sterke literaire uitgeverijen met een zeker eergevoel en engagement zijn nodig om waardevol maar moeilijk werk te publiceren dat anders misschien ongeschreven blijft. De digitaliseringsgolf kan dat precaire model makkelijk wegvagen. Maar dat moet een reden zijn om als een gek op die golf vooruit te proberen lopen in plaats van als verstijfd van angst te blijven stilstaan.

Het zal wel iets met budgetten te maken hebben. Zo’n site kost een cent.

Uitgeverijen hebben nochtans alle redenen om wanhopig te zijn. Vooraan pakte De Bezige Bij in haar najaarsbrochure van 2014 uit met een nieuw boek van Peter Buwalda. ‘Suzy vindt van niet’ is een bundeling van zijn columns uit de Volkskrant. Uitgeverijen maken zich er wel vaker vanaf met het overnemen van inhoud waar eerder door derden al voor is betaald. Eenmaal kranten en andere media erachter zijn hoe ze hun archief (en expertise) te gelde kunnen maken, is zulke luiheid niet langer gepermitteerd. Uitgeverijen die zelf een betaalmodel op internet hebben kunnen hun auteurs daar vaker publiceren dan enkel op de datum van het verschijnen van hun boek. Zoveel verschillen kranten en uitgeverijen niet van elkaar op internet. Als succesvolle auteurs daar al niet voor zichzelf beginnen.

Is alle hoop verloren? Alle hoop is niet verloren, mensen.

Harold Polis, het verstoten wonderkind, liet in zijn afscheidsinterview in De Tijd een ballonnetje op: “Weet je wat mij altijd verbaasd heeft? Hoe we in de boekenvak de mond vol hebben van technologische vernieuwing, terwijl we in de werkelijkheid hopeloos achter de feiten aanhollen. We werken in een sector die leeft van verbeelding, maar we mankeren de verbeelding om de technologische vernieuwing te gebruiken.” Veel concreter werd het niet, en De Bezige Bij Antwerpen liep nergens voorop maar het is best leuk en aardig dat hij zoiets zegt. Henk Pröpper van De Bezige Bij hintte deze week in De Morgen zelfs naar een streamingdienst voor boeken. Of toch in ieder geval naar besprekingen daarover. En cultuurminister Sven Gatz liet vorig maand tussen neus en lippen verstaan dat er in Vlaanderen wordt gewerkt aan twee nieuwe uitgeverijen. Één van de projecten krijgt ondersteuning van de overheid. Die jongens hebben vast ook een tablet.

Gerrit Komrij stond bekend om zijn immense verzameling bibliofiele boeken. Wat misschien minder mensen weten is dat de man in 1984, bij zijn verhuis naar Portugal en wanneer Thomas Smolders nog niet geboren was, voor het eerst een computer kocht. In zijn laatste levensjaren was het een plezier om hem op Facebook te volgen, en over zijn omzwervingen op internet schreef hij een tijdlang columns voor NRC Handelsblad. Ik raad niemand aan om in zijn geest te handelen. Dan zou de Europese Unie tot op de grond moeten worden gesloopt. Maar zijn jongensachtige enthousiasme is toch aantrekkelijker dan de pogingen van uitgeverijen om het internet te negeren. Het is er ten slotte veel leuker dan in boekenwinkels.

Peter Casteels Sings Hermans

De academicus en schrijfster Louise O. Fresco, waarvan ik dit jaar met plezier ‘Kruisbestuiving’ las, publiceert dezer dagen een deprimerend doch lezenswaardig kerstessay over honger in De Standaard. Het is een zonderling thema maar zij is niet de enige die erover schreef.

Toevallig – nou, ja – las ik gisteren het essay ‘Hamsun’s honger’ van Willem Frederik Hermans. Hij heeft het dan weer over ‘Honger’ (1890) van de Nobelprijswinnaar Knut Hamsun. Hermans maakt een vergelijking met andere literaire thema’s:

“Tamelijk voor de hand ligt de veronderstelling dat alleen een roman die op het verlangen naar voedsel is gebaseerd zó uitsluitend over één enkel onderwerp kan handelen zonder aan overtuigingskracht te verliezen.
Proberen we eens een vergelijking te maken met andere romans, die over andere fundamentele verlangens gaan, de liefde bij voorbeeld.
Niet voor niets staan liefdesromans over het algemeen in een slechte reuk. Iemand die dag in dag uit enkel aan liefde denkt, zich nergens anders mee bezighoudt dan het achternajagen van zijn geliefde, die wordt al heel gauw oninteressant, om niet te zeggen belachelijk. En hoeveel minder universeel is liefde niet dan honger? Er bestaan, beweren sommige sociologen, culturen waarin verliefdheid onbekend is.
Liefde mag niet al te groot worden, of de lezer gelooft er niet meer in. Moet het eigenlijk niet raadselachtig heten dat er zo veel liefdesromans geschreven zijn en zo weinig romans over honger? Als honger aldoor maar groter wordt, daar valt niets om te lachen, dat kan aan de tragische spanning geen enkel nadeel berokkenen, integendeel. Maar liefde? Bij onbeperkt groter wordende liefde schiet zelfs de almacht van de poëzie op den duur te kort. Don Quichotte, de meest poëtische minnaar en de ridderlijkste, werd ten slotte onder de voet gelopen door een kudde varkens. De tijdgenoten van Cervantes, de schrijver zelf trouwens ook, vonden dit een dolkomische gebeurtenis.
Op een soortgelijke manier valt er af te dingen op verhalen over geld. De levensgeschiedenis van iemand die niets doet dan geld verzamelen, stelt de lezer min of meer op dezelfde proef als die waaraan de lezer van liefdesromans wordt onderworpen. Een personage dat voortdurend meer geld bij elkaar schraapt en toch alleen maar aan geld kan denken, verdient misschien veel medelijden, maar meelijwekkend is hij niet. Miljardairs, dat is weer eens gebleken bij de dood van Howard Hughes, doen bij hun dood geen tranen stromen, alleen zeer zure inkt.
Elk miljoen extra, door de held van een geldroman verzameld, vergroot de kans dat de lezer, het oppotten beu, zijn aandacht laat afdwalen van het verhaal en dat hij op z’n eigen houtje gaat dromen over de mogelijkheden die er bestaan al die spaarduiten weer uit te geven.
De meeste verhalen over vrekken behandelen dan ook niet hoe de vrek rijker wordt, maar hoe hij zijn bij mekaar geharkte goud kwijtraakt – op smadelijke wijze; om de arme lezer gerust te stellen en te troosten, om het zedelijk leven te eren en de lachlust te bevredigen.
Door zulke gevaren wordt de schrijver over honger niet bedreigd. Het enige gevaar waaraan hij ontkomen zal dienen te zijn is… honger. Gierigheid en – nog zo’n fundamentele hartstocht – jaloezie, zijn ook voor weinig anders geschikt dan moraliserende of satirieke verhalen. De vrek wordt gehaat en de afgunstige misprezen.
Maar honger is geen ondeugd, al is vrees voor honger, vanzelfsprekend, wel de diepere oorzaak van gierigheid en afgunst. De hongerlijder verdient en krijgt ons medelijden. Wij vrezen voor zijn leven. Wij lachen hem niet uit, ook als het zijn eigen schuld is, dat hij zijn maag niet kan vullen.
Toch loopt een beschrijving van iemand die honger heeft en probeert aan eten te komen, misschien gevaar door het thema alleen al eentonig uit te vallen. En zijn de psychische reacties van een hongerlijder niet te gemakkelijk voorspelbaar?
In vele gevallen wel. Niet altijd.”

Wat ik me sindsdien afvraag: staan liefdesromans over het algemeen werkelijk in een slechte reuk? Ik heb soms het idee dat het nergens anders meer over gaat. Maar tijdens deze luie eindejaarsdagen schiet er me niet veel meer te binnen dan het succes van ‘Godin, held’ van Gustaaf Peek. Misschien schrijf ik er volgend jaar een kerstessay over.

‘Hamsun’s honger’ is opgenomen in de bundel ‘Ik draag geen helm met vederbos’ van W. F. Hermans die voor het eerst in 1979 verscheen.