Onderzoek naar cultuur: universiteiten wijzen de weg

Andreas Tirez (@andreastirez) stelt vervelende vragen zoals enkel een econoom dat kan. Vorig jaar schreef hij een artikel over de cultuursubsidies – opgerakeld naar aanleiding van de royale gift van Joke Schauvliege aan de musical ‘Assepoester’ – waarin hij zich erover beklaagde dat er geen wetenschappelijk onderzoek bestaat waarin wordt aangetoond dat zulke subsidies maatschappelijke baten hebben. Kurt Verstegen (@kverstegen), nog zo’n econoom, trad hem daar enthousiast in bij. Deze romanticus ziet dat met lede ogen aan.

Ik bezoek – in tegenstelling tot de in economische modellen levende heren – regelmatig theatervoorstellingen, en ben al langer van mening dat de subsidiëring van kunst en cultuur dringend gewijzigd moet worden. De theaterwereld is zorgwekkend in zichzelf gekeerd. Ze biedt werkervaring voor acteurs die later tot plezier van velen in succesvolle televisiereeksen en films belanden, maar de inzichten die in het theater worden gevormd, raken zelden tot daarbuiten. Veel makers beperken zich in hun onderwerpen tot persoonlijke wissewasjes, en ook degenen die iets over de wereld om hen heen proberen te vertellen, kennen een marginale weerklank. Het enige theater waarvan ik mij herinner dat de inhoud ook buiten de zalen werd besproken, was geschreven door Tom Lanoye.

Uit mijn ervaring als theaterbezoeker – louter anekdotisch, waarvoor excuses – kan ik getuigen dat die weinige aandacht terecht is. De intellectuele kwaliteit van het meeste theater is zodanig pover dat het best genegeerd wordt in het publieke debat. Ik denk – met tegenzin – dat de reden hiervoor de overmatige subsidiering door de overheid is. Makers hoeven – kort door de bocht – enkel verantwoording aan elkaar af te leggen, waardoor een milieu kon ontstaan dat losstaat van de werkelijkheid. (Ook het belabberde niveau van de cultuurjournalistiek heeft hiermee te maken. Als journalisten kunstenaars even scherp zouden aanpakken als ze met politici plegen te doen, hadden veel kunstenaars misschien niet zo ver van de wereld af kunnen raken.) Een oplossing is niet makkelijk te vinden – de marktdiscipline is even heilloos – maar de vaststelling is belangrijk. Zeker naarmate steeds meer journalisten in de richting van de overheid kijken voor steun. Als de journalistiek daardoor evenzeer marginaliseert als cultuur, houden we enkel Itinera over.

Lelijke broeken

Ik schets deze evolutie omdat de betogen van Tirez en Verstegen daarin passen. Zij twijfelen aan de meerwaarde van theater voor de samenleving en vragen hard bewijs. Tekenend is de vergelijking die Verstegen maakt:

“Stel dat het niet over theater gaat maar over lelijke broeken. De producent geraakt die broeken enkel kwijt wanneer hij de prijs voldoende laag zet. Maar dan kan hij zijn kosten niet dekken, hij maakt dan verlies. Ofwel krijgt hij dan subsidies van de overheid zodat hij verder kan doen met het produceren van lelijke broeken zonder verlies te maken, ofwel gaat hij failliet. Iedereen vindt het normaal dat deze persoon failliet zou gaan. We gaan toch geen overheidsgeld uitgeven zodat iemand lelijke broeken kan blijven fabriceren? Natuurlijk niet! Toch lijkt het heel normaal dat er voor theater een uitzondering wordt gemaakt, ondanks dat niemand theater zou willen zien als men de prijs zou vragen die de kosten dekt.”

Andreas Tirez beweert in zijn blog dat de overheid evengoed reiszen naar New York kan financieren als ze ook geld wil geven aan cultuur waar de maatschappelijke baten niet van zijn aangetoond. De heren zouden echter moeten aanvoelen dat cultuur niet te vergelijken is met producten zoals kledij en snoepreisjes. Het is begrijpelijk dat zij nog maar weinig verschillen zien – gezien de geringe impact van theater en andere kunsten – maar in een wereld waarin het theaterleven zou bloeien zou iedereen die vergelijking afwijzen.

In dat geval zouden de gelijkenissen tussen kunst en de academische wereld meer opvallen. In wezen gebeurt daar hetzelfde: waar de overheid aan universiteiten professoren de ruimte en tijd geeft om nieuwe inzichten te onderzoeken, doet zij dat in theaters met kunstenaars. Ze hebben gemeen dat ze vragen kunnen stellen over onderwerpen waar de markt nooit zou bij stilstaan. Dat verruimt het publieke debat. Enkel is dat voor professoren veel duidelijker dan voor kunstenaars. Iemand als Andreas Tirez kijkt veel minder wantrouwig naar academici dan naar theatermakers.

De Paradox

Toch worden ook academici steeds vaker gedwongen aan te tonen wat zij bijdragen aan de samenleving. Het is niet meer vanzelfsprekend dat faculteiten worden gefinancierd zonder dat ze duidelijk kunnen maken wat ons dat oplevert. Dat heeft gezorgd voor een commercialisering – Kurt Verstegen werkt voor de Universiteit Antwerpen maar wordt betaald door KBC – en leidde tot waar Andreas Tirez voor de cultuurwereld voor pleit. Universiteiten ondernemen verwoede pogingen om te bewijzen dat het denkwerk van haar professoren marktwaarde heeft.

Deze week staat daarover in De Groene Amsterdammer een achtergrondverhaal. “De Uitverkoop van de Universiteit”, staat er op de cover. Het artikel beschrijft wat er de voorbije decennia is veranderde: “De marktlogica van zo hoog mogelijke opbrengsten tegen zo laag mogelijke kosten vertaalde zich op de universiteiten in het doel zo veel mogelijk studenten zo snel mogelijk aan een diploma te helpen. Het aantal studenten steeg van 160.000 in 2000 naar 245.000 nu, tegelijkertijd met een halvering van de uitgaven per student sinds de jaren tachtig. […] Om wille van de efficiency en de effectiviteit moet het academische werk zo veel mogelijk meetbaar en onderling vergelijkbaar worden gemaakt.”

Deze evoluties zijn genoegzaam bekend, maar ze tonen een curieuze paradox. Het kwalificeren van de maatschappelijke bijdragen van professoren heeft gezorgd voor een nadruk op publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. In De Groene Amsterdammer legt filosoof Ad Verbrugge de gevolgen daarvan uit:

“Die oeverloze stroom van hypergespecialiseerde artikelen lijkt soms een in zichzelf gekeerd systeem te worden, ingegeven door de noodzaak jaarlijks productie af te zetten binnen het netwerk. Gewoon kafkaësk. Ik heb dus gepast voor dat artikelencircus, zo’n jaar of tien terug. Ik wilde mijn eigen denkweg gaan volgen. Mijn promotor zei dat ik nog wel tien artikelen over Heidegger uit mijn proefschrift zou kunnen putten. Hoezo? Waarom zou ik? Ik had Heidegger diepgaand bestudeerd en wilde iets anders leren. Het was mijn bedoeling filosoof te worden, niet een deskundige in Heidegger. Het was vroeger ook de bedoeling in de filosofie dat je jouw denkweg deelt met je studenten en met je publiek, in een boek en zeker niet alleen in gespecialiseerde tijdschriften voor een klein netwerk. Slechts een enkeling in hetzelfde vak leest zo’n artikel, soms zelfs alleen de redacteur van het betreffende tijdschrift. Het is een introvert geheel waarin de ingewijden hun posities afbakenen, een systeem met zijn eigen kastes, eigen vroomheid, eigen ketters, zijn eigen moralisme.”

Andreas Tirez twijfelt (terecht) aan de maatschappelijke baten van kunstenaars die intellectueel nog maar een marginale bijdrage leveren aan het publieke debat. Maar zijn oplossing – economisch onderzoek naar de meerwaarde – zorgt in de academische wereld net voor die marginalisering. Toch heeft Tirez gelijk om het onderwerp aan te raken. Theatermakers en kunstenaars zullen zich moeten heruitvinden als ze willen blijven rekenen op de steun van de samenleving. Het cultuurbeleid van de overheid moet daarvoor veranderen. Zodat niemand het zich in zijn hoofd haalt theater te vergelijken met lelijke broeken. Ik weet alleen niet hoe.

1 Comment

Filed under Uncategorized

Roept u maar (6)

Het boek dat Karel De Gucht vorige week publiceerde, ‘Vrijheid’, leek meer bedoeld als aanleiding voor een batterij interviews dan een oprechte herdenking van het liberalisme – ik ga hem helemaal lezen -, maar in de kranten zegt hij, als vanzelfsprekend, ook razend interessante dingen. Niet enkel over de toekomst van zijn partij.

In een gesprek met Yves Desmet probeert hij een optimistisch toekomstbeeld te schetsen voor Europa. 3D-printing schijnt daarbij van onschatbaar belang te zijn, en met die revolutionaire techniek in gedachten, besluit De Gucht: “Nee, ik ben absoluut geen pessimist, er is geen enkele objectieve reden om niet in onszelf te geloven.”

Yves Desmet – messcherpe vragen: “Dat moet u eens gaan uitleggen in Spanje in Griekenland, waar nu een generatie van jonge werklozen opgroeit.”

De Gucht: “Dat is nu eens een echt populistische vraag.”

Ik: lachen.

Het is toch zo’n handig woord.

2 Comments

Filed under Uncategorized

De stem van het volk?

Wat u misschien moet weten, is dat ik een thesis over populisme en directe democratie heb geschreven. Door mijn laattijdige beslissing om dit onderwerp te onderzoeken had ik enkel drie weken om ‘m te schrijven, en kreeg ik uiteindelijk een negen. Daar wordt aan gewerkt, maar het is interessant de essentie samen te vatten.

Volgens veel politicologen die over populisme schreven, behoort een pleidooi voor meer directe vormen van democratie tot de wezenskenmerken van populisten. Zij willen de stem van het volk laten weerklinken binnen de achterkamers van de macht. Een voorbeeld daarvan is een citaat uit de inleiding die Yves Mény en Yves Surel schreven bij het boek ‘Democracies and the Populist Challenge’ (2002) dat essays van de meest gereputeerde wetenschappers over dit onderwerp bundelt:

“Alle populisten praten en gedragen zich alsof democratie de macht van het volk betekent en alleen de macht van het volk. Dit kenmerk is waarschijnlijk het enige element dat door alle populistische bewegingen en partijen wordt gedeeld.”

Hiermee plaatsen zij populisten in de schematische voorstelling van de liberale democratie, waarbij er een tegenstelling bestaat tussen enerzijds het beslissingsrecht van kiezers en anderzijds de grendels die daartegen zijn ingebouwd zoals een grondwet en andere wetgeving die boven het kiezersgewoel verheven zijn. Die zijn bedoeld om minderheden en individuen te beschermen tegen de hakbijl van de meerderheid.

Het is mijn overtuiging dat veel wetenschappers deze overtuiging ingelepeld hebben gekregen door de politici die zij als populisten beschouwen. Zulke politici laten geen kans voorbij om duidelijk te maken dat zij het volk verdedigen tegen een corrupte politieke klasse die er enkel is voor een losgezogen elite. Ze pleiten onophoudelijk voor referenda en de rechtstreekse verkiezing van allerhande functionarissen, om eindelijk de stem van het volk de doorslag te gunnen. In zijn doctoraatsscriptie ‘De Stem van het Volk!’ – mijn thesis heette ‘De Stem van het Volk?’ – vergeleek Jan Jagers sp.a, CD&V en Vlaams Belang op de kenmerken van het populisme. De drie partijen gebruiken volgens zijn conclusies populistische retoriek, maar enkel Vlaams Belang is een werkelijk populistische partij. Enkel en alleen omdat zij een bindend referendum in haar partijprogramma heeft opgenomen.

Antidemocratisch

Ik was het daar niet mee eens. Het is niet omdat een partij een directe democratie beweert voor te staan, dat ze daarom werkelijk pogingen onderneemt die te realiseren. Zeker bij protestpartijen als Vlaams Belang en de Partij voor de Vrijheid – die onderzocht ik – zijn de partij- en vooral verkiezingsprogramma’s bedoeld als campagnemateriaal. Daarin hoeven bovendien geen prioriteiten te worden duidelijk gemaakt.

Op een weinig wetenschappelijke manier zocht ik argumenten om het idee te ontkrachten dat VB en de PVV inzetten op directe democratie. Het eerste wat opvalt, is de antidemocratische traditie die de partijen hebben. Vlaams Blok had een partijprogramma waarin de democratische beginselen niet innig werden omarmd – het tegendeel was waar. Ze bepleitten toentertijd een sterke leiding voor het vaak onwetende volk. Merkwaardig is dat ook de PVV, een veel jongere partij, toch een antidemocratisch voorgeschiedenisje heeft. ‘Een Nieuw-realistische Visie’ was even één van de sleutelteksten van de partij waarin eenzelfde elitaire politiek wordt beargumenteerd. Ook de weinig democratische werking die de beide partijen hebben, geeft eenzelfde beeld. De essentie van beide partijen bestaat er niet uit de stem van het volk of hun leden zo luid mogelijk te laten weerklinken.

Een ander tegenargument zijn de nauwkeurig uitgewerkt programma’s. Daarin staat weliswaar steeds het referendum prominent vermeld, maar over andere onderwerpen maakt men geen enkel voorbehoud. De partijen geven niet de indruk liefst te willen afwachten wat de burger in een referendum over thema’s als migratie en veiligheid beslist, en maken duidelijk dat zij wel degelijk weten wat er moet gebeuren. Ze zijn ook enkel geïnteresseerd in referenda als die kunnen dienen om de doorbraak van één van hun standpunten te forceren. Zo bekeken willen ze het in de eerste plaats gebruiken als een instrument om hun boven alle twijfel verheven gelijk binnen te halen.

In de praktijk doen de beide partijen weinig moeite om referenda af te dwingen. Geert Wilders lanceert er regelmatig eentje, maar toen hij een gedoogakkoord onderhandelde met VVD en CDA was daar helemaal niets van terug te vinden. Vlaams Belang maakte zich enkele jaren geleden op voor een referendum over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie dat eigenlijk over de Grondwet ging, en ook daaruit sprak eerder de fervente voorkeur van de partij om Turkije buiten te houden dan een oprechte interesse in de stem van het volk. In Vlaanderen bestaat er overigens een mogelijkheid om gemeentelijke en provinciale volksraadplegingen af te dwingen, maar Vlaams Belang heeft teleurstellend weinig initiatieven daartoe genomen.

Nieuwe smaak

Voor mijn thesis nam ik ook de literatuur door die over de partijen is geschreven. Daar kwam weinig uit dat potten brak, en verschillende van die bronnen zal ik hier later bespreken. Niettemin vond ik twee citaten van waarnemers die mijns inziens beter vatten waar het de partijen om te doen is dan dat zij zijn opgericht om de burgerdemocratie te revitaliseren.

In 2006 schreef journalist Filip Rogiers in ‘Want de mensen zijn het volk niet’, een artikel uit De Morgen:

“In de populistische leer zijn de elite en het establishment zwart, is het volk wit. In die ideologie moet ‘de wil van de meerderheid’ op een piëdestal worden gezet, maar dan wel de wil van de meerderheid zoals die door de partijtop wordt voorgekauwd en vertolkt. ‘Het volk’ is tegen migrantenstemrecht, ‘het volk’ is tegen illegalen. ‘Het volk’ is in deze ideologie een coherent concept, het is het ‘echte land’ (het rexisme had het over ‘Le Pays Réel”) en het staat tegenover de politieke elite die in een ivoren toren leeft, het volks- en wereldvreemde establishment dat de wil van het volk naast zich neerlegt, daarin natuurlijk gesteund door de pers. Dat is zo ongeveer het populistisch refrein.”

Hij schreef dit stuk naar aanleiding van de pogingen van Guido Tastenhoye om een illegale buur aan een verblijfsvergunning te helpen. Dat manoeuvre paste niet in het ideologische kader dat Vlaams Belang had uitgetekend, dus zat de partij met een probleem.

In 2005 maakte Joop Van Holsteyn een gelijkaardige analyse over Geert Wilders. In zijn opiniestuk ‘Geert Wilders is hooguit een halve populist’ dat in Trouw verscheen, schreef hij:

“In het programma van Wilders komen dan ook niet slechts twee spelers voor, zoals in een waarlijk populistisch verhaal verwacht moet worden, maar drie. Er is de vermolmde politieke elite, er zijn de Nederlandse burgers, en dan is er ook nog Geert Wilders. Hij schetst zichzelf niet als woordvoerder of lid van het volk maar als politiek alternatief van de gevestigde orde, van de bestaande politieke elite. Hij is niet de stem des volks, maar simpelweg een ander dan het bekende geluid. En daarmee is hij niet meer dan de gewone politieke entrepreneur die om zijn eigen plaats onder de politieke zon te krijgen de burgers een keuze biedt, niet als populist maar als nieuwe smaak op het menu.”

Er bestaat geen enkele twijfel over het ideologische verhaal van de beide partijen. Verwijzingen naar het volk nemen daar een prominente plaats in, maar deze politici zullen het niet laten gebeuren dat hun verhaal met middelen van de directe democratie wordt herschreven. Dat was de essentie van mijn thesis, waarmee ik hoopte één van de wezenskenmerken van het ‘populisme’ van tafel te vegen. Dat is niet helemaal gelukt – een negen.

Leave a Comment

Filed under Uncategorized

Roept u maar (5)

Deze oude televisiekritiek van Joël De Ceulaer is een sterk voorbeeld van het ergerlijke gebruik van het woord ‘populisme’ (en van de al even ergerlijke gewoonte van De Ceulaer om werkelijk geen enkele kans te laten liggen om de psychoanalyse aan te vallen). U treft een betaalmuur aan, maar als u langs Google gaat, smelt die weg.

In de column hekelt De Ceulaer een interview dat Kathleen Cools had met de advocaat van Roger Vangheluwe, de erg bijdehandse Joris Van Cauter. Vangheluwe werd door een anonieme bron beschuldigd van een nieuw zedenfeit, wat tot ergernis van zijn advocaat veel aandacht had gekregen in de media. Van Cauter zat in de studio om zijn cliënt te verdedigen, en werd door Cools op een volstrekt incompetente en vooringenomen manier ondervraagd. Dat doet ze wel vaker. Zeker als het over kinderen gaat verliest Cools zich regelmatig in haar eigen emoties en laat alle professionaliteit varen. In mijn beleving heet dat ‘amateurisme’.

Zo niet bij Joël De Ceulaer. Het onderscheid tussen toegankelijkheid en populisme wordt opgegeven, schrijft die, en de journalist wordt buikspreker van de massa.

Dit is een goed voorbeeld omdat hij het ‘populisme’ op een concreet standpunt betrekt, waar de meeste beschouwingen daarover uitblinken in vaagheid. Wie iemand beschuldigt op basis van rommelig of op zijn minst onvolledig bewijsmateriaal, is de buikspreker van de massa. Ergo: de massa staat voor een incorrecte justitie. De massa is niet geïnteresseerd in eerlijke procesvoering.

Die op niets gebaseerde veronderstellingen schetsen een groot misprijzen voor het volk, om dat andere, even lelijke woord te gebruiken. Er wordt een beeld van het volk geconstrueerd dat nergens wordt onderbouwd, maar dat ondertussen gemeengoed is onder veel commentatoren en intellectuelen. Van het volk hoeven we niets goed te verwachten. Het is niet meer dan een ordinaire bende.

Dat begrijp ik niet, maar het verband tussen de incompetente interviewtechnieken van Kathleen Cools en de massa begrijp ik nog minder. De Ceulaer zag een buikspreker van de massa aan het werk, terwijl ik enkel een hele slechte journaliste bezig zag. Waarom voor het gebrek aan talent van Cools de massa een prijs moet betalen, is mij volstrekt onduidelijk.

Leave a Comment

Filed under Uncategorized

Roept u maar (4)

Voor Apache las ik het hele boekje van Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit, ‘Voor Europa!’. Ik wil het samen met ‘De aanval op de natiestaat’ van Baudet bespreken, maar deze vondst heb ik alvast onthouden:

“Het populisme vertolkt het ‘buikgevoel’ van de ‘bedreigde’ natie. […] Van het volgen van dat zogenaamde buikgevoel in publieke zaken komen vroeg of laat alleen maar discriminatie, oorlog en vervolging. En als we in Europa van één zaak letterlijk onze ‘buik’ vol hebben, dan is het van oorlog en vervolging, van verscheurde families, van uitgeroeide minderheden, van in puin geschoten landen en gebombardeerde steden.”

Toch goed gevonden van de twee heren.

Leave a Comment

Filed under Uncategorized

Roept u maar (3)

“He was a populist, which is unusual amongst Chinese leaders.”

Een bron binnen de staatsmedia over de in opspraak geraakte Bo Xilai. Hij deed zijn uitspraak in een verder lezenswaardig e-book dat gebaseerd is op dit artikel uit de Financial Times. De uitspraak slaat op de periode wanneer hij burgemeester was van Dalian, en erg populair onder de bevolking. Zijn personeel beschouwde hem als een autoritaire tiran.

Weinig populisme in China. Dat kan een interessante casus worden.

Leave a Comment

Filed under Uncategorized

Roept u maar (2)

In De Standaard (29/9/2012) gaven Carl Devos en Dave Sinardet een dubbelinterview over de politieke actualiteit. Daarin kwam een opmerking terug die de afgelopen jaren met de regelmaat van de klok wordt herhaald onder linksige analisten. Eerst Devos:

“Van mij mag de SP.A best wat populistischer worden. Het is niet omdat ik professor ben dat ik vind dat een politicus alleen maar ingewikkelde analyses mag maken.”

Sinardet volgt:

“Ik denk ook dat er op links ruimte is voor een populistisch verhaal, zoals de SP dat in Nederland brengt. Zoals De Wever erin geslaagd is om het communautaire verhaal te politiseren, kan iemand aan de linkerzijde een onderwerp als vermogensbelasting politiseren.”

Er moet een lijn bestaan die het sympathiek populisme van het duivels populisme scheidt, maar geen idee waar die ligt.

Vreemd genoeg, overigens, zien ze allebei in Peter Mertens niet de geschikte persoon om dit linkse populisme te belichamen. Sinardet vindt het ‘geen retorisch talent’ en Devos noemt hem zelfs ‘nogal academisch’.

Leave a Comment

Filed under Uncategorized